160228_logos-op-rij

De meest monumentale liederencyclus uit de Nederlandse muziekgeschiedenis

Leander Schlegels Deutsche Liebeslieder opus 20. Zondag 13 maart – aanvang 16.00 uur – Marene Elgershuizen sopraan en Frans van Ruth piano

“Een voorname persoonlijkheid treedt ons in de muziek van Schlegel tegemoet”.

Vijf van de elf zondagmatinees in De Paulus dit seizoen staan geheel of gedeeltelijk in het teken van Leander Schlegel. Echter, ruim 100 jaar geleden werden er al matinees aan zijn werk gewijd, in Wenen.

“Daar, waar de Noordzee op de Hollandse kust spoelt, in de buurt van Haarlem, de stad van bloemen en schilderijen, leeft sinds jaren in onvermoeibaar scheppen een man, wiens naam in het muzikale Wenen sinds kort bekend is, die evenwel zonder twijfel voorbestemd is in de wijdste kringen door te dringen”. Aldus Josef Gänsbacher, een vooraanstaande persoonlijkheid in het Weense muziekleven, in 1911 in Der Merker over Leander Schlegel, de in Oegstgeest geboren en dan al 40 jaar in Overveen woonachtige componist.

Rijke oogst

Gänsbacher: “Schlegel heeft een pianowerken gepubliceerd die veel schoonheid en voortreffelijkheid brengen”. Vervolgens weidt hij uit over meerdere composities, waaronder Schlegels liederen: “In zijn talrijke liederen, die zoveel heerlijks behelzen, vindt de zanger een rijke oogst”. De Wener wijst ook op Schlegels Deutsche Liebeslieder opus 20, de liederencyclus die op 13 maart in De Paulus te beluisteren is. Met dank aan Willem Noske (1918-1995), vurige violist en niet te blussen vorser naar muziek van Nederlandse componisten.

De vonk sloeg over

Frans van Ruth over zijn eerste bezoek aan Noske in 1981: “Het komt maar zelden voor dat je bij iemand over de van alle stapels papieren en partituren nauwelijks onzichtbare vloer komt, die dan meteen zo’n combinatie van bevlogenheid voor de zaak en persoonlijke charme ten toon spreidt. [/half]

Tot de liederen waarmee Willem ons uiteindelijk naar huis liet gaan, behoorden er drie van Leander Schlegel (van wie we natuurlijk nog nooit gehoord hadden) en de vonk die toen oversloeg, is wat mij betreft nooit meer uitgedoofd.” In 2009 en 2011 bezorgden Frans van Ruth en Margaret Krill een tekstkritische editie van de verzamelde liederen van Leander Schlegel.

Voorname persoonlijkheid

In zijn standaardwerk Een eeuw Nederlandse muziek 1815-1915 (Amsterdam, 1950/1986) merkt Eduard Reeser over Schlegel op dat diens vertolkingen van pianowerken van Robert Schumann bewondering wekten: “Van die voorkeur getuigt ook zijn componeren” en: “Een voorname persoonlijkheid treedt ons in de muziek van Schlegel tegemoet; de gebondenheid aan een muzikale traditie (…) gaat er van zijn werk een frisheid en levendigheid uit die zich wel heel gunstig onderscheidt van de ouderwetsheid die zoveel Nederlandse muziek op Duitse grondslag reeds bij haar ontstaan aankleefde.”

Toegangsprijs: € 25,00 voor volwassenen en € 10,00 voor studenten. Als steeds bij de Zondagmatinees vrij entree tot 18 jaar. Dit nu zou kunnen neerkomen om twee of zelfs meer personen voor de prijs van één indien u minderjarigen zoals ook kinderen of kleinkinderen meeneemt.

De meest monumentale liedcompositie uit de Nederlandse muziekgeschiedenis

Pianist Frans van Ruth is docent liedrepertoire en kamermuziek aan het Conservatorium van Amsterdam. Sinds vijfendertig jaar verdiept hij zich ook in het leven en werk van de in Oegstgeest geboren componist Leander Schlegel (1844-1913). Van Ruth wijdde zelf een uitvoerige website aan het leven en werk van Leander Schlegel, www.leander-schlegel.nl

Van Ruth: “Schlegels Deutsche Liebeslieder opus 20 (1900) vormen waarschijnlijk de meest monumentale liedcompositie uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Toch is het niet zeker dat deze cyclus vanuit een vooropgezet idee ontstaan is: sommige liederen waren al eerder uitgevoerd en over zijn toonzetting van ‘Du bist wie eine Blume’, een gedicht van Heinrich Heine, schrijft Schlegel zelfs dat het door een toeval ontstaan is. Blijkbaar is er een ogenblik geweest waarop hij de mogelijkheid zag enige bestaande en nog niet gepubliceerde liederen tot een cyclus uit te bouwen.

“Het literaire thema was allesbehalve nieuw voor hem: hij ontleende het aan ‘Der arme Peter’, een klein gedichtendrieluik van Heine. Kort samengevat: Peter is verliefd op Grete. Helaas is Grete verliefd op Hans met wie zij trouwt. Peter beseft dat het graf de beste plek voor hem is. In de Duitse romantische literatuur wordt de dood minder als een tragische vijand dan als een bevrijdende vriend gethematiseerd: negentiende-eeuwse liederen over liefde en dood eindigen daarom vaak in majeur.

“Als pianist had Schlegel Robert Schumanns toonzetting van Heine-gedichten uitgevoerd en in zijn aan Clara Schumann opgedragen pianowerk Der arme Peter opus 5 (1886) had hij dit thema al behandeld. Het is fascinerend te volgen hoe Schlegel in zijn cyclus het ‘verhaal’ heeft vorm gegeven. In de eerste, gelukkige liederen is het harmonische karakter van de muziek nog eenduidig tonaal en de rol van de piano traditioneel begeleidend.

In het verloop van de cyclus verliest de tonaliteit steeds meer haar eenduidigheid. In het een na laatste lied, ‘Steh balde still’, komt de grondtoon c-klein bijna niet meer voor: symbool voor ontheemdheid. De drie stukken voor pianosolo moeten niet beluisterd worden als intermezzi, maar als wezenlijke stappen in de voortgang van het ‘verhaal’. Aldus wordt de meer zelfstandige, expressieve rol van de piano in de volgende liederen mogelijk.”

Ziehier alle liedteksten

Deutsche Liebeslieder – Ein Cyklus für eine Singstimme und Pianoforte Op. 20

Frau Baronin Anna van Asbeck-Kluit gewidmet

Leipzig, E.W. Fritsch (762), Oktober 1900 (H)

1. Clavierstück I

 

2.Die du bist so schön und rein…

Die du bist so schön und rein,

Wunnevolles Magedein,

Deinem Dienste ganz allein

Möcht ich wohl mein Leben weih’en.

 

Deine süßen Äugelein

Glänzen mild wie Mondesschein;

Helle Rosenlichter streu’en

Deine rothen Wängelein.

 

Und aus deinem Mündchen klein

Blinkt’s hervor wie Perlenreih’n;

Doch in den schönsten Edelstein

Hegt dein stiller Busenschrein.

 

Fromme Minne mag es sein,

Was mir drang ins Herz hinein,

Als ich weiland schaute dein

Wunnevolles Magedein!

Heinrich Heine

 

3. Du bist wie eine Blume…

Du bist wie eine Blume,

So hold und schön und rein;

Ich schau dich an, und Wehmut

Schleicht mir ins Herz hinein.

 

Mir ist, als ob ich die Hände

Aufs Haupt dir legen sollt,

Betend, dass Gott dich erhalte

So rein und schön und hold.

Heinrich Heine

 

4. Lass im Geheim mich zu Dir kommen…

Lass im Geheim mich zu Dir kommen,

Lass im Geheim mich zu Dir geh’en,

Ach, unsrer Liebe kann’s nicht frommen,

Wenn Andre noch uns glücklich seh’en.

 

Ist Liebe doch die Frucht aus Eden,

In Einsamkeit gepflückt von Zwei’en;

Das fremde Auge seines Jeden

Kann hier ein Schlangenaug’ nur sein!

 

Stumm sei Dein Mund, Dein Blick verschweige,

Wie weit sich unser Herz verlor,

Die Insel unsres Glückes steige

Aus unentdecktem Meer empor.

Alfred von Meißner

 

5. Wissen möcht ich nur wie lange…

Wissen möcht’ ich nur wie lange

Ich Dir spielen könnt’ im Haar,

Oder streicheln an der Wange,

Oder seh’n ins Augenpaar.

 

Wissen möcht’ ich, ob auf Erden

Noch ein solches Speil es giebt,

Das mann, ohne müde werden,

Treiben kann als wie man’s liebt.

Friedrich Rückert

 

6. Bitte

Weil’ ich mir, du dunkles Auge,

Übe deine ganze Macht,

Ernste, milde, träumerische,

Unergründlich süße Nacht!

 

Nimm mit deinem Zauberdunkel

Diese Welt von hinnen mir,

Dass du über meinem Leben

Einsam schwebest für und für.

Nikolaus Lenau

 

7. Mir ist, nun ich Dich habe…

Mir ist, nun ich Dich haben,

Als müßt’ ich sterben,

Was könnt’ ich, daß mich labe

Noch sonst erwerben.

 

Mir ist, nun ich Dich habe,

Ich sei gestorben,

Mir ist zum stillen Grabe

Dein Herz geworden.

Friedrich Rückert

 

8. Clavierstück II

 

9. Traurige Wege…

Bin mit Dir im Wald gegangen;

Ach wie war der Wald so froh!

Alles grün, die Vogel sangen,

Und das scheue Wild entfloh.

 

Wo die Liebe frei und offen

Rings von allen Zweigen schallt,

Ging die Liebe ohne Hoffen

Traurig durch den grünen Wald.

 

Bin mit Dir am Fluß gefahren;

Ach, wie war die Nacht so mild!

Auf der Fluth, der sanften, klaren,

Wiegte sich des Mondes Bild.

 

Lustig schertzen die Gesellen;

Uns’re Liebe schwieg und sann;

Wie mit jedem Schlag der Wellen

Zeit und Glück vorüberrann.

 

Graue Wolken nieder hingen,

Durch die Kreuze strich der West,

Als wir einst am Kirchhof gingen;

Achm wie schliefen sie so fest!

 

An den Kreuzen, an den Steinen

Fand die Liebe keinen Halt;

Sahen uns die Tödten weinen,

Als wir dort vorbei gewallt?

Nikolaus Lenau

 

10. Daß ich dein auf ewig bliebe…

Daß ich dein auf enig bliebe,

Tiefes felsumschloß’nes Thal,

Traurig schön, wie uns’re Liebe,

Tiefe, hoffnungsvolle Qual!

 

Tannen schauern an den Wänden,

Im der Schlucht der Bergstrom tost,

Winkt als wie mit weißen Händen!

Komm’, O komm’, und Trinke Trost!

 

Und ich schleiche um die Föhren,

Horche auf der Wasser Gang,

Glaube immer noch zu hören

Deinen schmerzlichen Gesang.

 

Jenes Lied voll Qual und Beben,

Das die Seele mir umspann,

Von dem Herzen, das nicht leben,

Ach, und doch nicht sterben kann!

 

Rausche fort, du wild Gewässer,

Überschrei des Herzen Noth,

Nie geboren ware besser,

All mein Sehnen ist der Tod!

Alfred von Meißner

 

11. Die Nachtigall hat mich vom Schlaf erweckt…

Die Nachtigall hat mich vom Schlaf erweckt

Mit ihrem süßen Gesange,

Wie hat ihr Schlag mich tief erschreckt,

Wie pocht mir das Herz so bange!

 

Wohl hat der Mai in dieser Nacht

Geschüttelt die Goldenen Schwingen,

Und zalle Blumen sind erwacht,

Und alle Quellen springen;

 

Allein das Weh, das mich verfaßt,

Weicht nimmermehr von hinnen,

Ach! Daß du mich vergessen hast,

Das bringt mich noch von Sinnen.

Wilhelm Osterwald

 

12. Festpolonaise und Hochzeitszug (Clavierstück III)

 

13. Zu späte Reue…

Da geht er wieder, der bleiche Knabe,

Dem ich die Treue gebrochen habe,

Und trägt noch immer, ob es auch bleichte,

Am hut das Röslein, daß ich ihm reichte.

 

Weh, daß ich Schätze um Liebe tauschte,

Mit eitlem Flitter mein Herz berauschte,

Was ist von allem mir treu geblieben,

Als sein verschmähtes, verkanntes Lieben?

Julius Sturm

 

14. Steh’ balde und rühr´ dich nicht…

Steh’ balde und rühr’ dich nicht,

Mein Herz! kannst ja kein and´res rühren,

Doch glühe, bis der Tod dich bricht,

Ins land der Kälte dich zu führen.

 

Aus aller Blüthen schönem Reich

Hab’ ich die tauben nur erworben,

Mein Leben ist ein welker Zweig,

Ich bin allein, und schon gestorben!

Carl Immermann

 

15. Spruch

Wer die Liebe gepflanzt in die Menschenbrust,

Hat das meiste gethan für die Lebenslust.

Wer die Liebe gepflanzt in das Menschenherz,

Hat das meiste gethan für den Lebensschmerz.